Richard Galliano: “In de jaren ‘60 was er een soort racisme tegen de accordeon”
Fotografie: Maurits van Hout
Tijdens het Gent Jazz Festival 2009 speelde Richard Galliano op zijn accordeon in een wonderlijke bezetting. Samen met Richard Bona (basgitaar), Gonzalo Rubalcaba (piano) en Clarence Penn (drummer) toverde hij onverwachte ritmes uit zijn instrument. Een mix van klassiek, jazz en wereldmuziek versmolten. Voorafgaande aan dit optreden sprak Benoit van Maele op 12 juli 2009 met Galliano over zijn liefde voor de accordeon en de fusion van muziekstijlen.
Laat ik eerst eens beginnen met jouw samenwerking met het Brussels Jazz Orchestra.
Galliano: “Ik heb daarnet Bert Joris gezien! Ja, we hebben samen een plaat opgenomen, het is een mooi verhaal, want het is één van de zeldzame opnames die gemaakt zijn met een big band en een accordeon, zonder gitaar, zonder bas en de gebruikelijke instrumenten. Het samengaan van het geluid bevalt me erg. Helaas hebben we tot nu toe niet veel optredens kunnen doen, een paar in België en in Italië, maar volgend jaar zijn er een paar optredens mogelijk, misschien in de zaal Playel in Parijs. Maar met zo’n big band is het moeilijk om te toeren; het is een grote machine die je in beweging moet krijgen.”
Je bent gehecht aan het geluid.
Galliano: “Het geluid, de klank is de basis van de muziek. Een goede compositie is in de eerste plaats een mooi geluid en klank en harmonie. Daarbij komt de kwaliteit voor het beluisteren voor het publiek en ook voor onszelf. De muzikanten van wie ik hou, zowel in de jazz als in de klassieke muziek, zijn mensen met een mooie sonoriteit. Ik denk dat dit het belangrijkste is in de muziek, nog voor de virtuositeit of het ritme.”
Ga je zelf ook sleutelen aan het geluid bij opnames of optredens of de geluidsman op zijn vingers tikken?
Galliano: “Ik hou veel van de eenvoud en het authentieke. Voor een goed instrument dat goed klinkt zie ik niet in waarom men daar via een groot mengpaneel met een veelvoud van knoppen iets aan zou veranderen. De rol van een geluidsman is het overbrengen van de zuiverheid en de warmte van het mooie geluid dat een instrument voortbrengt en de geluidsman moet een mooi evenwicht verzekeren.”
Het geluid brengt ons bij de accordeon dat toch een akoestisch instrument is, een instrument dat vaak in een hoekje geduwd werd qua mogelijkheden en registers; het lijkt alsof jij het gedurende jouw carrière uit dat hoekje hebt proberen te trekken.
Galliano: “Dat is zeker waar. Tegelijkertijd is er een deel van het publiek dat slechts één aspect van de accordeon kent. Toen ik naar hier kwam sprak ik over de accordeon in België. En één van de grootste accordeonisten die er geweest is, en ik dacht dat hij een Fransman was, is een Belg: Gus Viseur. Al in de jaren ‘40 waren er muzikanten zoals hij, die grenzen overschreden. Ook Johnny Meyer, magnifiek in dezelfde lijn als Viseur. Het is geen kwestie van modern zijn, in tegendeel, mijn accordeon is 45 jaar, zijn geluid is zelfs beter.”
“In de jaren ‘60 was er een algemene verwerping van het instrument, haast een vorm van racisme tegen de accordeon. Alsof het een onwaardig instrument is. Onbewust heeft mij dat gedreven dit gevecht te voeren. Terwijl het uiteindelijk toch om de muziek gaat. Maar ik wou mijn instrument niet achterlaten. Ik wist dat er iets mee op te bouwen viel. Een voorbeeld is vanavond. Het verrast veel mensen dat ik met Gonzalo Rubalcaba en Richard Bona speel, maar voor mij is dat hetzelfde als wat Django Rienhardt deed. Het gaat om mijn composities die ik speel, die ik aan de piano of accordeon schreef. Wat vroeger een handicap was, is nu een kracht geworden. Na 58 jaren pluk ik nu de vruchten van wat ik zolang heb gezaaid.”
Heeft de Franse cultuur, waar accordeon haast karikaturaal is naast “ le pain, le vin et le boursin”, jou niet in de richting van andere culturen geduwd om te gaan kijken wat men met een accordeon doet?
Galliano: ”Ik heb gezien dat de accordeon in alle andere landen een nationaal instrument is, zoals in Brazilië of Roemenië ofwel is het zijn “neefje” de bandoneon. Ik was jonger en had op een gegeven moment de fout gemaakt om mij af te snijden van de geschiedenis van het instrument. Ik zocht toen naar hedendaagse experimentele muziek, maar ik bleef een liefhebber van de valse musette of de Braziliaanse choro (zeemzoete melancholische bossanova-achtige muziek) of de traditionele tango en de muziek van de Karpaten. In die jaren was ik vooral begeleider van zangers zoals Claude Nougarou, maar men zag minder accordeons, nu nog altijd niet veel.”
Was er iets in de Galliano familie die je voorbestemde om de muziek te maken die je nu brengt? Galliano: “Ik heb uit mimetisme ten opzichte van mijn vader, die muziekleraar was, gehandeld. Zo ben ik in de val gelopen. Als ik mijn vader dat instrument niet heb zien spelen dan zou ik waarschijnlijk een ander instrument hebben gekozen. Hij is de oorsprong van alles. Het is een familieverhaal: het instrument waar ik nu op speel is nog door mijn grootmoeder gekocht, en iedere keer dat ik speel laat ik al die mensen en die geschiedenis herleven.”
Hoe kijk je tegen alle muzikale classificaties aan waartussen je laveert, zoals “world music”, enerzijds en de jazzpuristen anderzijds die een groot deel uitmaken van het circuit waarin je optreedt …
Galliano: “Mijn weg is altijd door het toeval geleid geweest. Vanaf dat ik het Zuiden van Frankrijk verliet om naar Parijs te trekken. In die tijd hoopte ik, om de routine van de zaterdagavond bals en de thé-dansants te vermijden, een plek in Parijs te veroveren. Mensen zoals Reggiani, Barbara en Nougaro. Als ik nu naar hen luister, is dat met veel melancholie.”
“Door te spelen met mensen als Gonzalo Rubalcaba word ik weer getrokken naar de meer typische jazz complexiteit, en ik hou veel van Rualcaba’s muzikale taal; hij is zeer ritmische en melodisch, maar soms vliegt hij weg op zijn toetsen, ver weg van de melodie, maar nog altijd in de harmonie en de ritmiek…voor mij is dat interessant en dat leidt me. Ik blijf dus balanceren tussen verschillende werelden. Rubalcaba komt uit de pure Cubaanse muziek. Als hij een traditionele Cubaanse bolero speelt, bouwt hij er allerlei complexe elementen in. Met Richard Bona is dat hetzelfde. We waren jarenlang buren in hetzelfde gebouw in Parijs zonder ooit samen te spelen. Hij hokte daar samen met onder andere de drummer van Zawinul.”
“Gisteren ontmoette ik enkele Afrikaanse percussionisten; zij zijn nooit naar het conservatorium geweest. Zij vertelden mij dat zij geen keus hadden en alleen ’s avonds rond het vuur in het dorp muziek konden maken. Deze mensen hebben een naturel, een eenvoud, een spontaneïteit. Voor mij is dat fantastisch om met dergelijke mensen samen te spelen.”
Hebben de labels altijd achter jou gestaan?
Galliano: “Ik heb er lang over gedaan. Mijn eerste albums maakte ik niet op mijn 20ste of 25ste, mijn eerste platen waren in de stijl van Debussy en Ravel, in de spirit van “ik moet iets bewijzen”. De grote verandering kwam toen ik Dreyfuss ontmoette. Hij had net zijn label opgericht en kwam uit de wereld van de popmuziek en was zot van jazz en had enorme vooroordelen ten opzichte van de accordeon, maar hij kende Gus Viseur (accordeonist van Django Reinhardt) en dat was een pluspunt. Een vriend van mij stelde mij voor en ik moest op zijn bureau gaan spelen. Ik speelde een paar stukken onder andere Viaggio, een melodie die simpel is, maar op verschillende manieren kan worden uitgevoerd. Na twee nummers zei hij “Banco! Hier tekenen.”
“Ik bracht redelijk wat platen uit, maar na zo’n tien jaar voelde ik dat ik vrijheid tekort kwam. Toen mijn contract afliep ben ik vertrokken. Ik ging naar een Italiaans label om platen op te nemen met Gary Burton, Charlie Haden, BJO, Tangaria in Brazilië met Venezuelaanse muzikanten, alles waar ik maar op kon komen deed ik. Recent heb ik met Universal classic en Universal jazz een contract getekend voor 3 cd’s; puur voor mijn plezier, niet meer om iets te bewijzen. Een cd rond Bach met een string kwintet, concerto voor piano’s en cello. Want een accordeon is een beetje alsof je een cello in de ene hand hebt en een fluit in de andere. En de beste composities die er bestaan voor accordeon, en dat klinkt misschien verrassend, zijn die van Bach.”
Nog een laatste vraag: wie heeft jou het meest getekend in je muzikale carrière?
Galliano: “Spontaan komen deze mensen naar boven: mijn vader en mijn eerste leerkracht, Claude Noel, die een dissident van de accordeon was en mij oude jazz platen gaf en mijn leerkracht op het conservatorium.”
“Nougaro in Parijs, die als eerste mij werk gaf. Reggiani en Barbara die beiden die bijzondere gevoeligheid hadden van de lyrische chanson. Een ander geschenk uit de hemel waren Chet Baker en Ron Carter. En uiteraard Piazolla. Hij is degene die mij de echte kracht gaf. Hij toonde mij dat het allemaal niet zo moeilijk was en alles in het hoofd gebeurde. Dat je uiteindelijk alles kon doen met een formatie van vier muzikanten en goede composities, een tiental dat volstaat.”
“Hij hielp mij een grote sprong voorwaarts te maken; hij had 30 jaar meer ervaring en leverde dezelfde strijd voor zijn instrument de bandoneon. Piazolla was een blauwdruk voor mij. Zelfs nu hij al 20 jaar dood is, voel ik zijn aanwezigheid en vraag ik mijzelf: “Bereid ik mijn projecten wel goed genoeg voor?” Want hij was een harde werker. Hij zei: “Ik ben geen improvisator, ik ben een muzikant”, omdat hij zozeer gerespecteerd wou worden.”







